KPMG Belgium-Holland Desk Newsletter | April 2022

April 28, 2022
KPMG Belgium Desk

Inhoud

Naar boven

1. Nederlandse vermogensrendementsheffing (box 3): rechtsherstel en blik op de toekomstblik op de toekomst

Het door de Nederlandse Hoge Raad gewezen arrest van 24 december 2021 heeft de gemoederen de afgelopen tijd flink beziggehouden. Over dit zogenoemde Kerstarrest, waarin de Nederlandse Hoge Raad oordeelde dat de belastingheffing in box 3 van de Nederlandse inkomstenbelasting in strijd komt met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (‘EVRM’), informeerden wij u in de januari 2022-editie van deze nieuwsbrief.

Inmiddels heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer in twee brieven geïnformeerd over de wijze waarop rechtsherstel kan worden geboden naar aanleiding van dit arrest en over de overgang naar een heffing op basis van werkelijk rendement in de toekomst. Hoewel het Nederlandse kabinet nog geen knopen heeft doorgehakt, gaan wij hierna in op de twee brieven van de staatssecretaris over het rechtsherstel en de toekomstige heffing in box 3.

Rechtsherstel voor 2017-2022 en spoedwetgeving voor 2023 en 2024

In de eerste brief van de staatssecretaris gaat hij in op het rechtsherstel voor de jaren vanaf 2017 en de wijze waarop tot de invoering van het nieuwe stelsel (in 2025) zal worden omgegaan met de heffing in box 3.

Volgens de staatssecretaris zijn er vier mogelijkheden voor rechtsherstel, waarbij de eerste twee vanwege budgettair en maatschappelijk belang of onuitvoerbaarheid vanuit de Belastingdienst afvallen:

  • alle box 3-inkomstenbelasting terugbetalen;
  • individueel rechtsherstel op basis van het werkelijk rendement;
  • automatisch rechtsherstel op basis van de forfaitaire spaarvariant;
  • automatisch rechtsherstel op basis van een forfait voor alle vermogenscategorieën.

In de forfaitaire spaarvariant wordt de belastingheffing in box 3 herrekend op basis van drie forfaits, gebaseerd op de werkelijke verdeling van het vermogen in spaargeld (forfait van 0,25% in 2017, aflopend naar ongeveer 0% in 2022), schulden (forfait van 3% in 2017, aflopend naar iets minder dan 2,5% in 2022) en overige bezittingen (forfait gelijk aan het forfaitaire rendement in rendementsklasse II uit het huidige systeem; in 2022: 5,53%).

In de andere variant wordt onderscheid gemaakt in meer verschillende vermogenscategorieën (alle verschillende rubrieken uit de belastingaangifte), waarvoor per categorie een apart forfaitair rendement in aanmerking wordt genomen.

Ten slotte licht de staatssecretaris toe dat er belastingplichtigen zullen zijn voor wie de forfaitaire wijze van rechtsherstel onvoldoende aansluit bij het werkelijk genoten rendement, omdat dit nu eenmaal inherent is aan het werken met forfaits. Aangezien belastingplichtigen hierover individueel een juridische procedure zouden kunnen starten, worden twee varianten toegelicht om hiermee via het leveren van aanvullend tegenbewijs rekening te houden:

  • een directe tegenbewijsmogelijkheid om via een bezwaar gestructureerd tegenbewijs te leveren dat het werkelijk rendement lager is, wat vervolgens automatisch kan worden verwerkt en gecontroleerd via een systeem van de Belastingdienst;
  • een mogelijkheid om tegenbewijs te leveren zodra naar aanleiding van een aantal proefprocedures meer duidelijkheid bestaat voor wie en op welke wijze hiermee rekening moet worden gehouden.

Rechtsherstel 2017-2020

Voor de jaren 2017 tot en met 2020 geldt dat vrijwel alle aanslagen definitief vaststaan, tenzij (tijdig) bezwaar is gemaakt. De belastingplichtigen die deelnemen aan de massaalbezwaarprocedure komen in aanmerking voor rechtsherstel.

De groep belastingplichtigen die geen bezwaar heeft ingediend en waarvan de aanslagen definitief vaststaan, heeft in beginsel geen recht op een tegemoetkoming. Een verzoek om ambtshalve vermindering nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat, kan volgens de geldende wet- en regelgeving niet worden toegekend tenzij de minister van Financiën (of de staatssecretaris) gebruikmaakt van een discretionaire bevoegdheid hiertoe. Daarover moet het kabinet nog een besluit nemen, waarbij vooralsnog onduidelijk is wat de kansen zijn indien toch een verzoek tot ambtshalve vermindering zal worden ingediend.

Rechtsherstel 2021 en 2022

Voor de jaren 2021 en 2022 geldt dat nog geen definitieve aanslagen zijn opgelegd voorafgaand aan publicatie van het Kerstarrest. Derhalve komen alle belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement op het vermogen in box 3 dan het forfaitair bepaalde rendement in aanmerking voor rechtsherstel in deze jaren. In de aangiften inkomstenbelasting 2021 en voorlopige aanslagen 2021 wordt uitgegaan van het wettelijke (strijdige) box 3-systeem, maar bij de definitieve aanslag 2021 zal rekening moeten worden gehouden met het Kerstarrest. Voor 2022 is nog onduidelijk of in het aangifteproces direct rekening kan worden gehouden met het Kerstarrest.

De staatssecretaris stelt dat bij de varianten voor rechtsherstel is uitgegaan van een breed rendementsbegrip, inclusief gerealiseerde en ongerealiseerde waardemutaties.

Spoedwetgeving 2023 en 2024

Naast rechtsherstel voor het verleden zal het kabinet met spoedwetgeving komen voor de heffing in box 3 in de jaren 2023 en 2024. Deze wetgeving moet ervoor zorgen dat het tijdelijke keuzeregime dat is ontstaan voor 2021 en 2022 niet voortduurt in 2023 en 2024. Voor 2021 en 2022 geldt immers dat het rechtsherstel op basis van het Kerstarrest alleen tot een voordeel kan leiden bij belastingplichtigen die belasting hebben betaald over een hoger forfaitair rendement dan het werkelijk rendement. Belastingplichtigen die per saldo voordeel hebben van het forfaitaire systeem betalen in die jaren belasting over het (wettelijke) forfaitaire rendement en worden niet alsnog aangeslagen voor een heffing over het werkelijk rendement in 2021 en 2022.

In 2023 en 2024 zal echter via een spoedwet worden bepaald dat de heffing in box 3 in deze jaren voor alle belastingplichtigen zal worden bepaald in overeenstemming met de wijze waarop rechtsherstel wordt geboden (de forfaitaire spaarvariant of via wettelijke forfaits voor alle vermogenscategorieën). Voor een deel van de belastingplichtigen betekent dit dat de box 3‑heffing in 2023 en 2024 hoger uitvalt.

Belasten werkelijk rendement vanaf 2025

In de tweede brief, de langverwachte ‘contourennota’, heeft de Nederlandse staatssecretaris de uitgangspunten voor het nieuwe box 3-stelsel per 2025 geschetst. Hieruit wordt duidelijk dat het kabinet van plan is om het werkelijk rendement te gaan belasten op basis van een vermogensaanwasbelasting voor alle vermogensbestanddelen die in het huidige box 3‑stelsel vallen. Ook wordt duidelijk dat de eerste jaren voor het belasten van inkomsten uit vastgoed in box 3 nog zal worden aangesloten bij een forfaitair rendement.

In tegenstelling tot belastingheffing via een vermogenswinstbelasting zal in het nieuwe box 3‑stelsel dus jaarlijks belasting worden geheven over vermogensinkomsten (zoals rente, dividend en huur) en over waardeontwikkelingen, ongeacht of die waardeontwikkelingen daadwerkelijk zijn gerealiseerd. In de brief wordt ingegaan op diverse voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting in vergelijking met een vermogenswinstbelasting en hoe hiermee om te gaan.

Ten slotte wordt het wetgevingsproces besproken, waaruit blijkt dat ernaar wordt gestreefd in het derde kwartaal van 2022 conceptwetgeving gereed te hebben. Het kabinet heeft momenteel nog veel knopen door te hakken over de exacte invulling van het nieuwe systeem. Denkt u daarbij aan hoe moet worden omgegaan met illiquide vermogensbestanddelen, hoe rekening moet worden gehouden met kosten, de wijze waarop verliezen kunnen worden verrekend, het introduceren van een heffingsvrij inkomen (in plaats van heffingsvrij vermogen), welk tarief moet worden gehanteerd (een vlak tarief of progressieve tarieven?) en van welke vermogensbestanddelen het inkomen zal worden vrijgesteld. Wij hopen dat het kabinet deze lastige keuzes goed en snel zal maken. Vanzelfsprekend volgen wij dit op de voet.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

2. Groepsvennootschap ook een vaste inrichting voor de btw?

De vraag of een onderneming in een andere EU-lidstaat over een vaste inrichting voor de btw beschikt, is onder meer relevant voor de bepaling van de plaats waar de door deze onderneming verrichte dan wel afgenomen diensten belastbaar zijn voor de heffing van btw. Wil sprake zijn van een vaste inrichting voor de btw, dan dient deze inrichting voldoende duurzaam te zijn en over een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur te beschikken om diensten te kunnen afnemen en zelfstandig te gebruiken, dan wel om zelfstandig diensten te kunnen verrichten.

Een groepsvennootschap – zoals een (klein)dochtervennootschap – is in juridisch opzicht in beginsel zelfstandig. Lange tijd werd in de praktijk dan ook aangenomen dat zij reeds om die reden voor de btw geen vaste inrichting van haar (groot)moedervennootschap kan vormen. Het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) oordeelde echter eerder dat de kwalificatie van vaste inrichting voor de btw niet afhankelijk is van het juridisch statuut van de groepsvennootschap, maar eerder van de economische realiteit. Ook een juridisch zelfstandige (klein)dochtervennootschap kan aldus, mits zij aan de materiële voorwaarden voldoet, voor de btw een vaste inrichting vormen van haar buitenlandse (groot)moedervennootschap.

In een uitspraak op 7 april 2022 heeft het HvJ deze visie genuanceerd. Hoewel een juridisch zelfstandige (klein)dochtervennootschap een vaste inrichting van haar (groot)moedervennootschap kan vormen, dient de moedervennootschap dan wel over het personeel en de technische middelen van de (klein)dochtervennootschap te kunnen beschikken alsof het haar eigen personeel en technische middelen zijn. Een dergelijke situatie kan zich volgens het HvJ voordoen indien de (klein)dochtervennootschap haar personeel en technische middelen op grond van een dienstverlenings- of huurovereenkomst aan haar (groot)moedervennootschap ter beschikking stelt. Een kanttekening is daarbij wel dat deze overeenkomsten niet op korte termijn mogen worden opgezegd.

Hoewel een (klein)dochtervennootschap voor de btw niet zonder meer een vaste inrichting van haar (groot)moedervennootschap vormt, bestaat die mogelijkheid volgens het HvJ dus wel. Aangezien de aanwezigheid van een vaste inrichting voor de btw naast administratieve gevolgen ook complianceverplichtingen met zich mee brengt, is het – gelet op de recente uitspraak van het HvJ – raadzaam om bij grensoverschrijdende activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van een juridisch zelfstandige (klein)dochtervennootschap steeds na te gaan of deze groepsvennootschap een vaste inrichting van haar (groot)moedervennootschap vormt.

Indien dat het geval is, heeft dit bijvoorbeeld gevolgen voor de btw-kwalificatie van verrichte diensten (belast met lokale btw in plaats van dat de btw-verleggingsregeling van toepassing is). Het onterecht niet voldoen van btw kan leiden tot naheffingen, boetes en berekening van rente. In dat kader merken wij op dat uit Nederlands beleid vooralsnog volgt dat een juridisch zelfstandige (klein)dochtervennootschap in Nederland niet als een vaste inrichting van een buitenlandse (groot)moedervennootschap wordt aangemerkt. Het standpunt van de Nederlandse staatssecretaris van Financiën is namelijk dat een dergelijke (klein)dochtervennootschap niet aan de materiële voorwaarden van de vaste inrichting voor de btw voldoet.

In andere EU-lidstaten kan dit echter anders zijn. Daarnaast blijft het vaste-inrichtingsbegrip voor de btw in ontwikkeling. Recent heeft bijvoorbeeld een Belgische rechter prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ, die erom draaiden of een Belgische ‘toll manufacturer’ kan kwalificeren als vaste inrichting van een Zwitserse principaal. Het is zeer raadzaam om deze ontwikkelingen te blijven volgen!

Marieke Herber en Noël Lürken

Naar boven

3. Non-fungible tokens (NTF’s): nieuwe digitale technologie met de Belgische fiscale principes verzoenen

Non-fungible tokens: het wat en hoe

Nu bitcoins en andere cryptomunten stilaan ingeburgerd zijn, is er de laatste maanden een nieuwe hype ontstaan in de mainstreammedia rond zogenoemde non-fungible tokens (‘NFT’s’). In Vlaanderen brak de gekte helemaal los toen wielrenner Wout Van Aert vier van zijn mooiste overwinningen in een NFT vereeuwigde en die via een veiling verkocht. Nog recenter sprongen ook Club Brugge en het dancefestival Tomorrowland op de NFT-kar.

Maar wat zijn NFT’s nu eigenlijk? Het zijn digitale contracten, en juist daardoor verschillen ze van de doorsnee cryptomunten. Een NFT krijgt immers een unieke code of referentie, waardoor hij niet zomaar inwisselbaar is (vandaar ‘non-fungible’ of ‘niet-inwisselbaar’) – in tegenstelling tot bijvoorbeeld een bitcoin. Die code wordt in het digitaal contract gelinkt aan een onderliggend digitaal actief, waardoor de eigenaar van de NFT ook de rechtmatige eigenaar wordt van dat onderliggend digitaal actief. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een uniek item in een game of het ‘metaverse’, digitale kunstwerken, foto’s, teksten, maar ook muziek of videobeelden en zelfs ideeën of concepten. De meeste NFT’s kunnen vrij verhandeld worden, en door blockchaintechnologie kan het eigendomsrecht zwart op wit aangetoond worden.

NFT’s en de Belgische personenbelasting

Zoals aangehaald zijn NFT’s een nieuw en op blockchain gebaseerd digitaal gegeven, dit in tegenstelling tot het Belgische Wetboek Inkomsten Belastingen (‘WIB 1992’) wat – in de laatste versie – toch al dateert vanuit 1992. Om te bepalen of, en hoe, opbrengsten uit NFT’s in België belast worden, zullen de algemene principes uit het WIB 1992 moeten worden toegepast. Dit werd trouwens recent en expliciet bevestigd door Minister van Financiën Van Peteghem in een antwoord op een Parlementaire Vraag.

In de praktijk zullen inkomsten uit de handel in NFT’s in de personenbelasting in drie verschillende categorieën kunnen worden ondergebracht:

  1. Indien de transacties binnen het normaal beheer van het privévermogen vallen, worden de inkomsten op NFT’s vrijgesteld in de personenbelasting. Dit is het geval indien u handelt als een zogenoemde goede huisvader. Dan hoeft u deze inkomsten niet op te nemen in uw aangifte personenbelasting.
  2. Indien u transacties doet met een speculatief karakter, gaat u meer risico's nemen en inspelen op grotere prijsschommelingen (eventueel financieren met leningen), zonder dit beroepsmatig te doen. In dit geval worden de inkomsten uit NFT’s in de personenbelasting belast als divers inkomen aan een belastingtarief van 33% (exclusief gemeentelijke opcentiemen).
  3. Bent u een actief NFT-trader? Dan zullen de inkomsten die u hieruit verkrijgt mogelijks gezien worden als beroepsinkomen, wat het progressief tarief tot 50% (exclusief gemeentelijke opcentiemen en sociale bijdragen) kan doen oplopen.

Fiscaal kader is ruimer dan personenbelasting

Sinds de opkomst van NFT’s klinkt de vraag: ‘Moet ik personenbelasting betalen over de inkomsten uit de verkoop van mijn NFT’s?’ steeds vaker en luider. Graag herinneren wij u eraan dat het Belgische fiscale landschap niet stopt bij de personenbelasting. Wij hebben hieronder enkele andere (fiscale) aandachtspunten opgesomd om in het achterhoofd te houden wanneer in NFT’s gehandeld wordt.

  • Btw: in 2015 heeft het Europese Hof van Justitie in de zaak Hedqvist beslist dat de bitcoin een wettig betaalmiddel vormt. Als gevolg hiervan is de verwerving ervan niet onderworpen aan btw en moet geen btw geheven worden over de dienstverlening die de handel in bitcoins mogelijk maakt. Onder verwijzing naar deze zaak heeft de Belgische Minister van Financiën in antwoord op een Parlementaire Vraag aangegeven dat NFT’s niet als een betaalmiddel worden aangemerkt, maar als digitaal verzamelobject of digitaal kunstvoorwerp. In navolging van een strikte interpretatie van het Hedqvist-arrest van het Hof van Justitie is de Minister dan ook van oordeel dat “(...) de handel in NFT’s als een aan de BTW onderworpen prestatie aanzien moet worden, voor zover deze handelingen geacht worden in België plaats te vinden.”
  • Vennootschapsbelasting: als u professioneel handelt in NFT’s, kan het – geval per geval – de moeite lonen om deze activiteit onder te brengen in een Belgische vennootschap. De vennootschapsbelasting voorziet immers in een belasting aan een vlak tarief van 25%, wat voordeliger kan zijn dan de belasting in de personenbelasting, hetzij als divers inkomen (aan 33%), hetzij als beroepsinkomen (progressief oplopend tot 50%).
  • Internationale fiscaliteit: in een grensoverschrijdende context (België-Nederland) zal het toepasselijke dubbelbelastingverdrag bepalen welk land heffingsbevoegd is. Wij raden aan dit ten gronde te analyseren.
  • Buitenlandse rekening: hebt u uw NFT’s gekocht via een exchange of houdt u daar een rekening of account aan, dan is de kans reëel dat u deze rekening dient aan te geven bij het Centraal Aanspraakpunt van de Nationale Bank van België (‘CAP’), en desgevallend ook in uw aangifte personenbelasting moet vermelden. De analyse hiervan dient echter geval per geval te gebeuren.

Wij blijven evoluties met betrekking tot nieuwe technologieën, cryptomunten en -activa verder op de voet volgen. Deze komen zeker aan bod in een van onze volgende bijdragen. Dit geldt ook voor de fiscale behandeling van NFT’s onder de Nederlandse fiscale wetgeving.

Tim Danneels en Thomas Claerhout

Naar boven

4. De fiscale vestigingsplaats van vennootschappen in Nederland en België

Nederland

Op basis van Nederlandse fiscale wet- en regelgeving wordt waar iemand woont (de ‘fiscale woonplaats’) en waar een lichaam gevestigd is (de ‘fiscale vestigingsplaats’) naar de omstandigheden beoordeeld. Met de omstandigheden worden bedoeld ‘alle relevante feiten en omstandigheden’ en derhalve is sprake van een open norm, die is uitgewerkt in een grote hoeveelheid aan jurisprudentie.

Voor de fiscale vestigingsplaats van vennootschappen is hierbij vaak doorslaggevend waar het lichaam feitelijk wordt geleid (zie ook hieronder), maar op basis van de Nederlandse regels spelen meer factoren een rol. Denkt u aan de plaats waar de statutaire zetel is gevestigd, waar de onderneming wordt gedreven, waar de algemene vergadering van aandeelhouders wordt gehouden of de plaats waar de boekhouding wordt gevoerd.

Bovendien zijn er in diverse belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en conditionele bronbelasting op rente en royalty’s, vestigingsplaatsficties opgenomen. Indien de oprichting van een lichaam heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht (of indien een Europese vennootschap wordt beheerst door Nederlands recht), dan wordt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd.

Nederlandse Hoge Raad: invloed op feitelijke leiding door belastingadviseur?

In een arrest uit juli 2021 heeft de Nederlandse Hoge Raad zich andermaal uitgelaten over de fiscale vestigingsplaats van vennootschappen voor Nederlandse wet- en regelgeving. Hierin komt naar voren dat de plaats van de werkelijke leiding niet zonder meer de plaats is waar de formele (statutaire) bestuurders zijn gevestigd. Er kan niet slechts rekening worden gehouden met een bestuur dat niet meer doet dan beslissingen automatisch goedkeuren, terwijl die beslissingen in werkelijkheid ergens anders zijn genomen.

In de onderliggende casus was sprake van een vennootschap die is opgericht naar Nederlands recht, waarbij de statutaire directie was verplaatst naar Singapore. De aandeelhouder woont in Sint-Maarten, maar de Nederlandse zoon van de aandeelhouder en het belastingadvieskantoor in Nederland hebben meerdere malen initiërend en coördinerend opgetreden met betrekking tot de kernbeslissingen van de vennootschap, al dan niet in samenspraak met de aandeelhouder. Omdat zij daarbij de formele directie in Singapore belangrijke aanwijzingen en instructies hebben gegeven die blind werden opgevolgd, kwalificeert de vennootschap volgens de Hoge Raad – op basis van alle relevante feiten en omstandigheden – als inwoner van Nederland.

België

In België wordt een vennootschap aangemerkt als ‘fiscaal inwoner’ indien haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België is gevestigd. Een vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt echter vermoed ook haar voornaamste inrichting of haar zetel van beheer of bestuur in België te hebben.

De weerlegging van dit vermoeden gebeurt in twee stappen. In een eerste stap zal het vermoeden weerlegd kunnen worden door het tegenbewijs te leveren dat de werkelijke zetel of zetel van bestuur of beheer in een andere staat is gelegen. In een tweede stap dient te worden aangetoond dat deze fiscaal inwoner is van een andere staat volgens de fiscale wetgeving van die andere staat. Hiermee wordt dubbele niet-heffing van belasting vermeden.

De plaats van de maatschappelijke zetel is volgens de Belgische wetgeving steeds ondergeschikt aan de plaats van de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van waaruit de vennootschap effectief geleid wordt. De voornaamste inrichting is dus ook in België een feitelijk criterium en verwijst volgens de geldende rechtspraak naar de plaats van waaruit de controle gebeurt. Denk hierbij aan de plaats waar:

  • de algemene vergadering van de aandeelhouders/leden alsook de raden van bestuur worden georganiseerd;
  • de belangrijkste beslissingen worden genomen;
  • de centrale boekhouding wordt gehouden.

Het betreft bijgevolg de plaats van de reële leiding. Het is de plaats waar vennootschappen hun werkzaamheden leiden, besturen of beheren, ongeacht waar de werkzaamheden worden uitgeoefend. In lijn met de Nederlandse rechtspraak stelt ook de Belgische rechtspraak dat het loutere feit dat de beslissingen worden voorbereid in België niet volstaat. Ook het feit dat de aandeelhouder of zaakvoerder zich in België bevindt, is op zichzelf onvoldoende.

De Belgische Minister van Financiën heeft bovendien nadrukkelijk bevestigd dat het adres van de fiscaal raadgever niet kan worden aanvaard als administratieve zetel aangezien een vennootschap, normaal gezien, nooit van daaruit wordt beheerd of geleid.

Het belastingverdrag tussen Nederland en België

De toegang tot een belastingverdrag wordt bepaald door fiscaal inwonerschap in een of beide verdragsstaten. Bovendien is de verdeling van heffingsrechten in een verdrag eveneens afhankelijk van het inwonerschap.

Het belastingverdrag tussen België en Nederland (het ‘verdrag’) verwijst voor het begrip ‘inwoner’ naar het nationale recht van de verdragsluitende staten. Indien een vennootschap echter op basis van de nationale wetgeving van België én Nederland als inwoner wordt aangemerkt, dan bepaalt de ‘tiebreaker’ in het verdrag waar de vennootschap gevestigd is voor toepassing van het verdrag. Op basis van de tiebreaker is de vennootschap alleen inwoner van het land waar de plaats van haar ‘werkelijke leiding’ is gelegen.

De tiebreaker in het verdrag wijkt af van de tiebreaker die het multilateraal instrument (‘MLI’) voorschrijft. Het MLI biedt als tiebreaker namelijk de optie om te kiezen voor een zogenoemde onderlinge overlegprocedure (‘MAP’). Omdat België vooralsnog een voorbehoud maakt voor toepassing van deze bepaling, is deze MAP vooralsnog niet van toepassing voor het verdrag en blijft de plaats van werkelijke leiding bepalend (ook al heeft Nederland hier wel voor geopteerd).

Mark Foesenek, Laura de Man en Ann-Sophie Smets

Naar boven

5. Het Vlaamse gunstregime voor de overdracht van familiebedrijven: binnenkort volledig uitgesloten bij residentieel vastgoed?

In het Vlaamse Parlement werd recent een nieuw voorstel van decreet ingediend inzake het gunstregime voor de overdracht van familiebedrijven in de Vlaamse schenk- en erfbelasting. Het voorstel voorziet dat vennootschappen worden uitgesloten van het gunstregime, zodra er ook maar het minste residentieel vastgoed aanwezig is in de vennootschap of in een dochtervennootschap. Onder de huidige regeling is een dergelijke uitsluiting niet voorzien voor zover de vennootschap een reële economische activiteit uitoefent.

Hoewel het voorstel voorlopig enkel uitgaat van de oppositiepartijen in het parlement, dient dit wel te worden geviseerd. Indien het voorstel effectief wordt goedgekeurd, kan de impact hiervan in bepaalde gevallen immers aanzienlijk zijn.

Het Vlaamse gunstregime voor de overdracht van familiebedrijven

Het gunstregime voor de overdracht van familiale vennootschappen laat toe om aandelen van het familiebedrijf belastingvrij te schenken, of te laten vererven aan een gunsttarief van 3% of 7% erfbelasting (naargelang de verkrijger). Daartoe moet wel een reeks voorwaarden vervuld zijn.

Een van de voorwaarden stelt dat de vennootschap (zelf of via een dochtervennootschap) op het ogenblik van de schenking of het overlijden een kwalificerende economische activiteit tot voorwerp heeft en deze ook effectief uitoefent.

Daarbij geldt evenwel een wettelijk vermoeden dat de vennootschap geen ‘reële’ economische activiteit heeft indien er twee boekhoudkundige parameters cumulatief voldaan zijn in een van de drie jaren die voorafgaan aan de schenking of het overlijden van de aandeelhouder. Wanneer in een van die drie jaren het balanstotaal uit meer dan 50% vastgoed bestaat én de personeelslasten 1,5% of minder bedragen van het balanstotaal, dan geldt het vermoeden dat de vennootschap geen reële economische activiteit heeft, waardoor het gunstregime in principe uitgesloten is.

Dit wettelijk vermoeden is echter weerlegbaar door het tegenbewijs te leveren dat de vennootschap – ondanks haar teveel aan vastgoed en te lage personeelskost – toch een reële economisch activiteit voert. Bij het succesvol leveren van tegenbewijs komt een vennootschap toch in aanmerking voor het gunstregime.

Het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst

Bij de beoordeling van dit tegenbewijs stelt de Vlaamse Belastingdienst (‘Vlabel’) zich echter erg streng op. In een omzendbrief uit 2015 wordt gesteld dat de belastingplichtige moet aantonen “(...) dat alle onroerende goederen die aanwezig zijn in de vennootschap worden aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap, en derhalve geen privaat patrimonium betreffen.”

Hieruit volgt dat het volgens Vlabel per definitie onmogelijk is om dit tegenbewijs te leveren zodra de vennootschap ook maar enig onroerend goed aanhoudt dat niet wordt aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap. Onder deze argumentatie kan zelfs geen tegenbewijs worden geleverd indien het onroerend goed verhuurd wordt aan derden (private huur of handelshuur). Als argument haalt de belastingadministratie daarbij aan dat het nooit de bedoeling is geweest van de decreetgever om privaat vastgoed te kunnen schenken of laten vererven aan de gunsttarieven.

Hof van Beroep te Gent verwerpt standpunt Vlabel

In een vonnis van 4 februari 2020 werd Vlabel een eerste maal teruggefloten door de rechtbank van eerste aanleg te Gent. De zaak betrof een vennootschap die naast de exploitatie van een slagerij ook een woning en een aantal appartementen bezat. Ingevolge het overlijden van de aandeelhouder vroegen de erfgenamen de toepassing van het gunsttarief van 3% in de erfbelasting.

Het familiebedrijf voldeed aan de boekhoudkundige parameters, waardoor het wettelijke vermoeden van economische inactiviteit speelde. Vlabel was van mening dat de belastingplichtige het tegenbewijs niet kon leveren omwille van de aanwezigheid van het privaat vastgoed, en belastte de aandelen aan de gewone tarieven in de erfbelasting (tot 27%). Daarop brachten de erfgenamen de zaak voor de rechtbank.

In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de interpretatie van Vlabel niet strookt met de tekst van de wetgeving. Uit de wetteksten blijkt immers nergens dat er een onderscheid moet gemaakt worden naargelang de aard van het vastgoed.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door Vlabel, maar in een tussenarrest van 1 juni 2021 bevestigde het Hof van Beroep te Gent de eerdere uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg. Het Hof bevestigde daarmee dat er wel degelijk kan worden aangetoond dat een vennootschap een reële economische activiteit heeft, zelfs indien dezelfde vennootschap privaat vastgoed aanhoudt.

In casu was dit het geval, aangezien de vennootschap naast haar vastgoedactiviteit een kwalificerende operationele activiteit had. De erfgenamen kregen dus gelijk.

Voorstel van decreet neemt residentieel vastgoed opnieuw in het vizier

Recent werd echter een voorstel van decreet ingediend in het Vlaamse Parlement waarmee de indieners komaf willen maken met deze mogelijkheid om onroerend goed dat voor bewoning bestemd is te laten vererven aan het verminderd tarief of te schenken met een vrijstelling. In de toelichting bij dit voorstel wordt uitdrukkelijk vermeld dat het begrip ‘reële economische activiteit’ volgens de indieners wordt uitgehold door rechtspraak zoals de voormelde uitspraken van de rechtbank en het Hof te Gent.

Daarbij wordt eveneens in herinnering gebracht dat de Vlaamse decreetgever “(...) niet de bedoeling [had] om private personen die hun privaat patrimonium in vennootschappen onderbrengen en derhalve niet de bedoeling hebben een economische (maatschappelijke) ondernemingswaarde te creëren van de gunstmaatregelen te laten meegenieten.”

De huidige versie van het voorstel voorziet daarom dat een vennootschap wordt uitgesloten van het gunstregime zodra de vennootschap enig onroerend goed aanhoudt dat hoofdzakelijk voor private bewoning wordt aangewend of bestemd is, en dit ongeacht het feit of de vennootschap een kwalificerende economische activiteit uitoefent.

Als antimisbruikmaatregel geldt de uitsluiting ook als een dergelijk vastgoed zich in een dochtervennootschap zou bevinden waarvan een holdingvennootschap de aandelen aanhoudt. Op die manier willen de indieners voorkomen dat de uitsluiting ontweken kan worden door de eigendom van het vastgoed tussen gelieerde vennootschappen te verplaatsen. Daardoor kunnen alleen vennootschappen met een reële economische activiteit én waarvan al het vastgoed wordt aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap onder het voorstel nog gebruik maken van de gunstregeling.

Wordt bijvoorbeeld de gezinswoning van de bedrijfsleider aangehouden door de familiale vennootschap of door een dochtervennootschap van de holding, dan zouden de aandelen van die (holding)vennootschap sowieso worden uitgesloten van het gunstregime, ongeacht de waarde van die woning en ongeacht of de vennootschap of de groep een economische activiteit heeft.

Een schenking van die aandelen zou dan onderworpen zijn aan een tarief van 3% of 7%, terwijl een verkrijging via erfenis van die aandelen onderworpen zou zijn aan de gewone successietarieven die in rechte lijn en tussen partners oplopen tot 27%. Hetzelfde zou gelden indien de vennootschap – bijvoorbeeld als belegging – geïnvesteerd zou hebben in een appartement dat verhuurd wordt aan een derde.

Indien de eigenaars het familiebedrijf alsnog wensen over te dragen met toepassing van het gunstregime, suggereren de indieners van het voorstel dat het bestaande residentieel vastgoed dus eerst zou moeten worden afgesplitst. Daarbij moet dan uiteraard worden rekening gehouden met onder meer de fiscale gevolgen van dergelijke afsplitsing op vlak van inkomstenbelasting en registratierechten.

Wordt vervolgd

Of er binnen het Vlaamse Parlement voldoende steun zal worden gevonden voor dit voorstel is nog maar de vraag. Het voorstel werd immers ingediend door een partij uit de oppositie, maar het kan zeker ook niet worden uitgesloten. En dan nog lijkt het ons – gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie – de vraag of dit decreet wél voldoet aan de tekst van de wetgeving.

Tillo Dumont en Sam Dejaegere

Naar boven

6. Laatste verlenging akkoord Nederland en België over belastingheffing van grensarbeiders

Nederland en België hebben aan het begin van de coronapandemie afspraken met elkaar gemaakt, onder andere over de fiscale behandeling van thuiswerkdagen als gevolg van het coronavirus. We schreven hier bij diverse verlengingen al meermaals over, voor het laatst in de januari 2022-editie van deze nieuwsbrief.

In deze overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt voor de situatie dat een werknemer niet de mogelijkheid heeft om thuis te werken, alsmede de behandeling van bepaalde socialezekerheidsuitkeringen. In dit artikel gaan we nader in op de fiscale behandeling van thuiswerkdagen.

Op grond van deze overeenkomst mogen de thuiswerkdagen voor grensarbeiders in loondienst worden behandeld als dagen gewerkt in het land waar onder normale omstandigheden (zonder reisrestricties als gevolg van het coronavirus) zou zijn gewerkt. Dit betekent dat er tijdens de duur van deze afspraken geen verschuiving van het heffingsrecht optreedt. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de thuiswerkdagen in het oorspronkelijke werkland worden belast.

Het is overigens geen verplichting om deze tijdelijke coulance toe te passen. In de aangifte inkomstenbelasting kan ook gekozen worden om het feitelijke werkpatroon te hanteren.

De overeenkomst waarin deze afspraken zijn vastgelegd is in maart 2022 stilzwijgend verlengd tot en met 30 juni 2022, en inmiddels is duidelijk dat deze daarna niet meer zal worden verlengd. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2022 de thuiswerkdagen van Nederlandse en Belgische grensarbeiders weer worden toegerekend aan het land waar fysiek wordt gewerkt. Indien werknemers blijvend gedeeltelijk vanuit huis zullen blijven werken, is het zaak tijdig de fiscale gevolgen hiervan in kaart te brengen.

Eerder is ook het akkoord dat in Europees verband is gesloten omtrent de tijdelijke goedkeuring van de socialezekerheidsaspecten door thuiswerken verlengd tot juli 2022. Naar verwachting is dat eveneens de laatste verlenging geweest.

Esther Schutte en Dehlia List

Naar boven

7. Hercodificatie van het Belgisch Burgerlijk Wetboek

Er woedt sedert enkele jaren een hervormingsgolf in de Belgische wetgeving. Deze werd reeds ingezet in 2015 en is momenteel nog steeds volop aan de gang. Hierbij werd ook het Belgisch Burgerlijk Wetboek onder handen genomen. De structuur van het Burgerlijk Wetboek dateerde nog van 1804 en had dus dringend nood aan een herziening, met focus op een overzichtelijke indeling en eenvormige terminologie. Zo is sedert 1 november 2020 het nieuw Burgerlijk Wetboek in werking getreden, dat toen enkel nog maar bestond uit boek 8, Het bewijsrecht. Niet veel later volgde boek 3, Het goederenrecht. Vanaf 1 juli 2022 zullen ook het relatievermogensrecht (boek 2, titel 3) en boek 4, Nalatenschappen, schenkingen en testamenten in werking treden.

De hervorming betreft vooral de actualisering en hernummering van de huidige wetteksten, waarbij er tevens enkele losstaande wetten worden geïntegreerd in het (nieuw) Burgerlijk Wetboek. Dit betreft onder meer de wet tot erfregeling van de kleine nalatenschappen en de regeling omtrent het centraal register van testamenten.

Het nieuwe boek 2, titel 3, Relatievermogensrecht en het boek 4, Nalatenschappen, schenkingen en testamenten, bevatten voorts enkele terminologische wijzigingen en verduidelijkingen van de bestaande teksten, zonder inhoudelijke aanpassingen.

Lien Minardi en Sam Dejaegere

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is a partnership of limited liability companies under Dutch law, is registered in the Trade Register under number 53753348
and a member firm of the KPMG global organization of independent member firms affiliated with KPMG International Limited, a private English company limited by guarantee.
All rights reserved.